Beter Boeren, Beter eten

Waarom?
De helft van de Nederlanders heeft overgewicht en de helft van de boeren verdient te weinig. Daarmee hebben we een dubbele crisis. Het voedselsysteem met vooral de productie van veel en goedkoop voedsel is vastgelopen. We geven in dit land bijna 90 miljard uit aan zorg, waarvan een groot deel aan ziektes die door te veel en te slecht eten zijn ontstaan. Ondertussen gaat het op de voedselmarkt alleen om de laagste prijs. Het huidige systeem leidt ons naar het laagste punt van de markt, het putje.

Er is geen politieke partij die er serieus wat aan doet. Partijen die zeggen het boerenbelang te dienen, hebben het vooral over de korte termijn. Andere partijen schrijven de landbouw alleen maar af en bieden geen alternatief. Het is tijd voor een lange-termijn-visie en maatregelen om deze visie te realiseren. Ik heb me voor D66 verkiesbaar gesteld, omdat ik wil dat de komende vier jaar het voedselsysteem op zijn kop gaat. Beter boeren, beter eten.

Nederland moet gaan investeren in een voedselproductie die de aarde niet schaadt en leidt tot een fatsoenlijk inkomen voor boeren. Nederland moet ook gaan investeren in voedingsgewoonten die de mensen gezond houden. En wat levert dit op? Gezondere mensen en boeren die weer weten waarvoor ze het doen. Die zich bovendien kunnen gaan onderscheiden op de markt met producten die bijdragen aan een gezond en duurzaam voedingspatroon. Nederland kan en moet wereldkampioen worden op het gebied van duurzaam boeren en dierenwelzijn. Dat zijn we aan onze stand verplicht.

Wat moet er gebeuren?
Er moet een nieuwe groene revolutie komen om tot een duurzamer voedselsysteem te komen en zo boeren weer perspectief te geven. Voedselproductie vindt nu plaats op basis van efficiëntie. Nederland is een grote voedselproducent geworden door mechanisatie, specialisatie, bestrijdingsmiddelen, kunstmest en intensivering. De productie is los komen te staan van de draagkracht van de natuur. Natuurlijke ecosystemen worden buitenspel gezet. Ook teren we in op grondstoffen die eindig zijn, en dus op een gegeven moment op. We moeten daarom niet alleen efficiënt produceren, maar ook de kringloop volledig sluiten.

Waar nu nog sprake is van specialisatie, moeten we in de toekomst uitgaan van een integraal voedselsysteem waarin de veehouderij, tuinbouw en de voedingsindustrie beter met elkaar verbonden zijn. We gaan de relatie tussen plant en dier en bodem en water herstellen. Mest is bijvoorbeeld geen afvalstof, maar een waardevolle grondstof voor bodem en plant. Dierlijke productie is daarbij nodig in relatie tot plantaardige productie. Als we dit goed doen, hebben we in de toekomst geen kunstmest en fossiele brandstoffen meer nodig.

Door de kringloop te sluiten komen we tot een voedselproductie die de aarde niet schaadt. En als er een land in de wereld is dat tot die kringlooplandbouw kan komen, dan is het Nederland. Een nieuwe stip op de horizon en een glasheldere ambitie: een voedselproductie die geen negatieve impact heeft op klimaat, volksgezondheid en milieu. Wij kunnen dat. Is dat een makkelijke weg met een foutloze routekaart? Nee. Maar die blauwdruk lag er ook niet voor de Zuiderzee, de Deltawerken en voor het economisch succes van Nederland in de Gouden Eeuw.

Nederland geeft geld uit als water. Denk bijvoorbeeld aan de vier miljard euro subsidie voor de bijstook van kolencentrales met houtsnippers. D66 wil deze centrales sluiten. Het geld kunnen we dan beter gebruiken om te investeren in kringlooplandbouw. Het gaat erom dat je alle keuzes die de overheid maakt en alle euro’s die zij uitgeeft, richt op het bereiken van dit ideaal. Het begint met een gedeelde overtuiging, een duidelijke visie en de bereidheid om andere keuzes te maken. De toekomst begint door de platgetreden paden uit het verleden los te laten en een nieuwe koers te kiezen.

Wat moet de overheid gaan doen?
De overheid heeft zich de afgelopen jaren teruggetrokken en de markt laten domineren. Landbouw werd steeds meer gezien als een normale economische sector en had zelfs geen eigen ministerie nodig. Niet de overheid regeert, maar de markt. Dat betekent dat degenen met de meeste macht in de keten er met de winst vandoor gaan. En dat zijn doorgaans niet de boeren, maar supermarkten en de handel. Er zijn nu eenmaal veel minder handelaren dan boeren, waardoor de laatsten geen vuist kunnen maken in de markt. Ook is het voor een individuele boer niet mogelijk om zijn aanbod af te stemmen op de markt.

Er zijn regels als het gaat om hoe een markt moet werken. Die regels zijn er vooral op gericht om consumenten een zo laag mogelijke prijs te bieden. Op het eerste gezicht klinkt dit niet verkeerd, maar daardoor kunnen boeren alleen maar concurreren op kostprijs. Als boeren massaal zouden samenwerken om bijvoorbeeld op een diervriendelijke manier kippen te gaan houden en dit zou leiden tot hogere prijzen, dan grijpt de overheid in. Supermarkten zouden voortaan kippen uit het buitenland gaan importeren.

Die lage prijzen lijken dus mooi voor de consument, maar dat geldt alleen voor de korte termijn. De markt schiet tekort als het gaat om de echte kosten van productie. Kosten voor bijvoorbeeld dierenwelzijn, bodem en water worden niet meegerekend. Deze externe kosten komen voor rekening van onze kinderen en kleinkinderen. Daarom moet de werking van de markt worden verbeterd. Het liefst doe je dat op Europees niveau, omdat Europa een gezamenlijke markt heeft. Maar dit lijkt voorlopig niet haalbaar. Zolang de markt alleen gaat over prijs, zal de overheid moeten investeren om deze externe kosten terug te brengen. Daarom is er maar een weg en dat is dat je met forse overheidsinvesteringen ervoor zorgt dat er geen negatieve kosten ontstaan!

Met forse investeringen moet de overheid daarom de eindverantwoordelijkheid weer nemen voor ons voedselsysteem en niet aan de zijlijn toekijken. Om een kringlooplandbouw te realiseren kan de overheid goede initiatieven aanmoedigen en experimenteerruimte bieden. Al het beleid en al het geld dient te worden ingezet op het sluiten van kringlopen, onderzoek, innovaties en waar nodig zelfs sanering. Vervolgens richt de overheid al het beleid – milieu, water, lucht, bodem – op het sluiten van kringlopen. Tot slot moet de overheid niet nalaten om toch ook op Europees niveau te kijken hoe de werking van de markten en het Europese Landbouwbeleid kunnen worden verbeterd.

Het Europese Landbouwbeleid
Al meer dan vijftig jaar bestaat er een Europees landbouwbeleid. Tot aan de eeuwwisseling was dit beleid gericht op het beschermen van de Europese markt en het zoveel mogelijk produceren van voedsel. Begrijpelijk, want na de Tweede Wereldoorlog zag de toenmalige Nederlandse landbouwcommissaris Sicco Mansholt in dat het in de eerste plaats ging om veel en betaalbaar voedsel, en tegelijkertijd een goed boereninkomen. Wie zich de tijd herinnert van boterbergen en volle graanschuren, ziet dat in dat opzicht dit beleid succesvol was.

Omdat Europa steeds meer kritiek kreeg, is het beleid hervormd en leveren veel boeren hun producten aan de wereldmarkt. Daarvoor werden de prijzen in Europa verlaagd. Om deze prijsverlaging te compenseren, ontvangen boeren een steun op hun inkomen. Landen die veel exporteren, zoals Nederland, profiteren van de open markten. De schaduwzijde is wel dat als de prijzen op de wereldmarkt laag zijn, boeren dit onmiddellijk in hun portemonnee merken. Zijn op de wereldmarkt de prijzen laag, dan betalen supermarkten in Nederland en Europa ook een lagere prijs.

Het Europees Landbouwbeleid geeft nu nog steun voor het inkomen van boeren. Dat is mooi maar niet effectief, omdat deze steun gekoppeld is aan de grond. Daardoor wordt vooral de grond duurder. Het Europese geld voor de landbouw in Nederland, 1 miljard per jaar, moet daarom worden besteed aan de overgang naar een kringlooplandbouw. Alleen boeren die kiezen voor de overgang naar een kringlooplandbouw, komen nog in aanmerking voor Europese steun. Daarnaast dient de bescherming van boeren bij excessief lage prijzen op de wereldmarkt te worden verbeterd.

Als Europa gaat investeren in vernieuwing, komen er forse sommen vrij. Deze moeten worden ingezet voor vernieuwing van landbouwmethoden, verbetering van de bodemvruchtbaarheid, bevordering van natuurlijk gedrag van dieren, duurzame opwekking van energie, toepassing van big data, sluiting van kringlopen, verbetering van rassen, landinrichting en verbetering en benutting van biodiversiteit. Brussel zal zeker niet in een gemeenschap van 27 landen in één keer ja zeggen tegen het plan. Daarom zou Nederland in Brussel alleen de mogelijkheid moeten claimen om het geld flexibeler te besteden.

Nu al hebben sommige Nederlandse producenten een voordeel in de markt, omdat ze heel efficiënt produceren. De vraag naar duurzame producten is groter dan het aanbod. Als Nederland de steun uit Brussel inzet voor de overgang naar een kringlooplandbouw, kunnen Nederlandse boeren hun producten onderscheidend in de markt zetten: klimaatneutraal kippen- en varkensvlees, en klimaatneutrale groente, fruit en kaas. De innovaties waarmee deze overgang gepaard gaat, kunnen goed worden verkocht. De producten die dan worden opgeleverd, zullen een forse meerprijs opleveren en zo gaan de boeren weer een goede boterham verdienen.

Internationaal
De wereldbevolking groeit van 6 naar 10 miljard mensen in 2050. Op dit moment is er al 1,3 aarde nodig om de wereldbevolking te voeden. Door verkeerde landbouwmethoden en ontbossing voor grootschalige landbouw, overschrijden we de draagkracht van de aarde. Door in Nederland over te gaan naar een kringlooplandbouw, ontstaan veel nieuwe innovaties en kennis. Deze kennis is ook relevant en van waarde voor de rest van de wereld. De kennis die ontstaat door de transitie in Nederland, kunnen we daarom wereldwijd inzetten. We hebben immers maar één aarde om ons te voeden.

In Nederland hebben we wel eens de neiging om het belang van een duurzame voedselproductie in ontwikkelingslanden te onderschatten. We lijken wel eens te denken dat ontwikkeling begint met een school, maar ontwikkeling begint met eten. Geeft de mensen een koe of een geit, dan hebben ze kostbare eiwitten, mest om groente te laten groeien en een beetje geld, waardoor ze kunnen handelen en waarvan ze kinderen naar school kunnen sturen. Als mensen in staat zijn om op het land in hun levensonderhoud te voorzien, hoeven ze ook niet naar de steden te trekken.

Regionale instabiliteit en migratie ontstaan vaak door het ingrijpen in regionale voedselsystemen, soms zelfs met ontwikkelingshulp. Soms wordt goedbedoeld een dam aangelegd, waardoor rivieren niet meer periodiek overstromen en nomaden gedwongen worden naar andere gebieden te gaan waar wel voer is voor hun dieren. Als dit akkerbouwgebieden zijn, krijgen ze het aan de stok met de mensen daar. Toets daarom ontwikkelingshulp aan de effecten op de lokale voedselproductie. Voedsel is de basis voor elke ontwikkeling.

Ontwikkelingslanden moesten meegaan in de tucht van de internationale handel. In ruil voor leningen vraagt het Internationale Monetaire Fonds dat zij hun grenzen openen, waardoor lokale markten verstoord raken. Europa heeft 50 jaar lang de grenzen gesloten gehouden totdat de landbouw was opgebouwd. Laat ontwikkelingslanden vooral onderling handel drijven en geef aan hen de mogelijkheid om zich te beschermen tegen goedkope importen uit Europa en de VS.

Internationale handel kent weinig internationale standaarden ten aanzien van milieu en dierenwelzijn. Eisen op het gebied van klimaat, milieu, dierenwelzijn en voedselveiligheid dienen daarom een vaste plek te krijgen in internationale handelsverdragen als TTIP. We moeten zelf in Europa kunnen bepalen hoe we ons voedsel gaan produceren en niet gedwongen worden tot de laagste standaarden.

De spelregels voor de markt worden voor een groot deel door Europa bepaald. Het Europese en Nederlandse mededingingsbeleid gaat alleen over prijs, prijs en nog eens prijs. Het moet veel meer mogelijk worden om afspraken te maken tussen boeren, levensmiddelenproducenten en supermarkten om samen te werken aan de transitie naar een voedselproductie die de aarde niet schaadt.

Volksgezondheid
De helft van de Nederlanders heeft overgewicht. We geven 90 miljard Euro per jaar uit aan gezondheidszorg. De kosten voor het ‘genezen’ van welvaartsziekten bedragen naar schatting tussen 10 en 20 miljard euro per jaar. Mensen met een lage sociaal economische status hebben vaker te kampen met overgewicht dan mensen met een betere uitgangspositie. Besparingen vallen echter in het niet als je bedenkt wat een geluk het zou zijn als we allemaal gezond ouder worden.

Ongezond eten is te gemakkelijk. Onderzoek toont aan dat 60% van onze calorie-inname afkomstig is uit snacks, dranken en fastfood. Van de hoeveelheid toegevoegde suikers die we eten, is 90% afkomstig uit deze producten. De toegenomen welvaart heeft geleid tot een enorm aanbod van deze lekkere, makkelijke, goedkope en lang houdbare producten. We eten teveel eten dat niet voedt, maar alleen lege calorieën biedt. Dit is de belangrijkste oorzaak van de toename van welvaartsziekten.

Veel van dit voedsel wordt aangeboden op scholen, in sportkantines, in benzinestations en op makkelijk bereikbare plekken in supermarkten. Scholen krijgen soms wel tot 1000 euro per jaar om een ‘vending machine’ te plaatsen waaruit de kinderen ongezonde frisdranken kunnen kopen. De overheid dient met scholen en sportverenigingen het gesprek aan te gaan en gezonde voeding op scholen desnoods verplichten. Ook dient de overheid niet meer uit te sluiten te gaan ingrijpen in het aanbod. Gemeenten krijgen de taak om in de omgeving van scholen mobiele snackbars te weren.

Gezond eten is niet per se duurder: zelf koken met basisvoedingsmiddelen is goedkoper dan een zak chips en een Big Mac.

Leren koken is belangrijk. Koken begint met kennis over waar ons voedsel vandaan komt en wat je ermee kunt. Jong geleerd, oud gedaan. Daarom krijgen alle Nederlandse basisschoolleerlingen een schooltuin, gekoppeld aan lesprogramma’s over gezonde voeding en de voedselrijkdom van de natuur. Alle middelbare scholieren krijgen kookles met basisvoedingsmiddelen. Samen in de schooltuin, samen koken. Het gaat om het op speelse wijze bijbrengen van plezier aan voedsel.

Consumenten moeten weten wat ze kopen. De huidige wijze van etikettering is verhullend. Daarom dienen de exacte ingrediënten te worden vermeld, en dient er een eenvoudige etikettering te komen.  Basisvoedingsmiddelen: groen. Voedingsmiddelen met alleen lege calorieën: rood. Tot slot kan een grote slag worden geslagen tegen voedselverspilling door supermarkten – net als in Frankrijk – te verplichten om voedsel dat wordt weggegooid te doneren aan voedselbanken.

Als we erin slagen om ongezond eten moeilijker te maken en gezond eten makkelijker, dan is dat een groot geluk voor veel mensen. Dan doen we werkelijk iets aan de tweedeling in de samenleving. We leven langer en belangrijker: de tijd dat we gezond zijn en voor onszelf kunnen zorgen, neemt toe. Kansen voor iedereen begint bij goede gezondheid. Gezondheid begint met goede voeding. Goede voeding begint met kennis. En kennis begint met plezier.